Het duurt eeuwig en dan is het voorbij : roman
Details
152 p.
Besprekingen
De Standaard
“Ik ben vandaag mijn linkerarm kwijtgeraakt. Hij ging er precies bij de schouder af.” Het is niet verboden om aan Albert Camus te denken bij de even gortdroge als fascinerende openingszinnen van Het duurt eeuwig en dan is het voorbij . Het laconieke existentialisme van de auteur van De vreemdeling waart door Anne de Marckens debuutroman, die wordt bevolkt door ondoden.
Het woord zombie valt pas op pagina 29 van het boek waarvoor de Amerikaanse kunstenaar en schrijver nu al verschillende prijzen kreeg. Tegen die tijd zijn er wel al mensen opgegeten, heeft de ik-verteller een dode kraai in haar lichaam verstopt en werd de lezer aangemaand om zich bij de apocalyps niets bijzonders voor te stellen. “Het einde van de wereld ziet er precies zo uit als je je herinnert. Alles is hetzelfde.”
Verwacht van De Marcken geen typisch horrorverhaal vol bloed en ingewanden. De schrijver schuwt de gruwel niet, maar met haar ingetogen stijl en taal wordt haar zombieroman eerder een filosofisch onderzoek naar pijn, angst, verdriet, verlies en menselijkheid. Tussen de regels door lees je zelfs iets over de manier waarop we met onze planeet omgaan, maar dan zonder het belerende toontje dat deze soort 'wat als'-fictie al te vaak ontsiert.
Wat als wij al zombies zijn
De Marcken doet weinig moeite om uit te leggen hoe het allemaal zover is kunnen komen en op de donkerste pagina's van haar roman lijkt ze zich bij onze onvermijdelijke ondergang te hebben neergelegd. Als er in Het duurt eeuwig en dan is het voorbij een grote 'wat als'-vraag gesteld wordt, dan gaat die niet over wat er ons in de toekomst mogelijk te wachten staat, maar over hoe pover we het er vandaag vanaf brengen. Wat als wij al zombies zijn?
De Marcken blijft niet altijd perfect in evenwicht op de slappe koord tussen diepzinnige overpeinzingen en weinigzeggend poëtisch gemijmer, maar ze doorspekt haar verhaal wel met een soort galgenhumor die bijwijlen beckettiaans aandoet. Wellicht mis je als lezer sommige referenties, gaan bepaalde passages je petje te boven of zijn ze simpelweg minder betekenisvol dan ze doen uitschijnen, maar wanneer je Het duurt eeuwig en dan is het voorbij dichtslaat, heb je wel een atypische leeservaring achter de rug. Je blijft achter met een hoofd vol merkwaardige beelden en vragen over onze plek in de wereld. Precies wat je van filosofische literatuur mag verwachten. Dat, en levendige lijken.
Knack
Vandaag is de vrouw haar linkerarm kwijtgeraakt. Precies bij de schouder: ‘Ik had gedacht dat het mijn evenwicht erger ging verstoren. Het is als naar de kapper gaan. De lucht beweegt anders rond mijn overgebleven delen.’ De vrouw neemt de arm mee naar bed, en vlecht later een tuigje om het ledemaat alsnog mee te dragen. Het duurt een poosje voor je afscheid kan nemen van een arm, maar het verlies hoort bij haar nieuwe bestaan. Haar lotgenoot Mitchem weet er alles van. Een tijdje terug heeft hij zijn eigen penis afgebroken en sindsdien is hij een prediker geworden – minder pik, meer wijsheid.
De vrouw en haar vrienden – nou ja, kennissen – leven in een vagevuur. Helemaal dood zijn ze niet, maar als je lichaam aan het afbrokkelen is, kan je moeilijk beweren dat je nog springlevend bent. Ze dolen rond in een post-apocalyptische wereld waar de tijd is blijven stilstaan. Er zijn nog echte levende mensen, maar die wonen verscholen achter hoge muren en prikkeldraad. Soms bespiedt de vrouw hen, dan kijkt ze toe hoe zij televisie kijken of vol levenslust vrijen. Op zich is dat ondode bestaan niet lastig. Alleen die razende honger blijft een kwelling. Volgens de legende zouden ze hersenen moeten eten, maar dat blijkt niet te kloppen. Verder is er de verveling – tijd duurt lang als tijd niet bestaat – maar gelukkig krijgt de vrouw gezelschap van een pratende kraai. Niet dat hij in volzinnen kletst, maar elk woord, hoe losgezongen ook, is welkom.
Een arm verloren, een kraai gewonnen, en de vrouw besluit om de wereld te verkennen. Of wat daar nog van over is. Wandelen over verlaten snelwegen en lege golfterreinen. Door bossen die weer welig woekeren. Door verlaten steden. Ze gaat huizen binnen waar collectieve-zelfmoordenaars nog aan tafel zitten, hun lijken vereeuwigd in een laatste avondmaal. De wereld zonder mensen is prachtig. Een wereld die de vrouw onbevreesd tegemoet kan treden, want eens de dood voorbij hoef je nergens nog bang voor te zijn, toch?
Joepie, nog maar eens een deprimerende roman over het einde van de wereld, alsof de werkelijkheid niet al droevig genoeg is, hoor ik de lezer terecht zuchten. In het geval van de Amerikaanse schrijver en kunstenaar Anne de Marcken loont het echter om voorbij de achterflap te lezen. Ja, Het duurt eeuwig en dan is het voorbij is een zombieverhaal, maar dan wel eentje waar de geesten van Samuel Beckett en Jean-Paul Sartre in rondwaren. In elke alinea valt tussen de afrottende vingers wel een breinbrekende zin te sprokkelen. Deze bijvoorbeeld: ‘Ik open mijn mond om iets te zeggen, maar ik kan niet bedenken wat. Ik maak een geluid dat lijkt op de kronkelstreep die je trekt om de inkt uit een ballpoint te laten vloeien.’ Of hoe een droedel beter klinkt dan een echt woord. Met al die taalkundige schoonheid construeert Anne de Marcken een uitdagende roman die je meermaals verbaasd van het blad doet opkijken.